donderdag 24 januari 2008

Wat is de Speech Act Theory? (1)

Hier volgt een introductie van de speech act theory, een vereenvoudiging van mijn hoofdstuk 1.

De speech act theory is een taalfilosofische theorie, die in het midden van de vorige eeuw opkwam dankzij J.L. Austin uit Oxford. Hij hield in 1955 lezingen, die in 1962 zijn gepubliceerd in How to Do Things with Words. Daarin maakte hij eerst een onderscheid tussen performatives en constatives, tussen die vormen van taal waarin de spreker een handeling voltrekt en die vormen waarin de spreker iets beweert, stelt of beschrijft. Een goed voorbeeld van een performative is het dopen van een persoon of schip, waarbij de woorden van de spreker (hierbij doop ik...) niet een toelichting zijn op wat hij doet (kijk eens, ik doop), maar de werkelijke voltrekking van de daad van het dopen zelf. Door te zeggen: 'ik doop jou/u/dit schip' doopt de spreker daadwerkelijk. De uiting die hij doet is een taalhandeling (speech act).
Nu kan er wel eens wat misgaan bij een handeling. Het water voor de doop kan plotseling op blijken te zijn, of de spreker is niet in de positie om te dopen. In dat geval is de handeling ineffectief. Voor het welslagen van een taalhandeling is tenminste een tweetal dingen nodig: er moet een procedure voorhanden zijn volgens welke de handeling uitgevoerd kan worden én de procedure moet zonder mislukkingen gevolgd worden.
Verderop in zijn lezingen is Austin afgestapt van het scherpe onderscheid tussen constatives en performatives, omdat de eerste welbeschouwd ook een daadkarakter dragen (door te zeggen: 'ik stel dat dit zo is', stel ik daadwerkelijk; ik doe een claim) en de tweede niet zonder feitelijke ondergrond kunnen bestaan. Bepaalde standen van zaken moeten waar zijn voordat een speech act geslaagd kan heten. In plaats van dit onderscheid ging Austin spreken over locutionary, illocutionary en perlocutionary acts. De locutionary act (locutionaire handeling of locutie) staat voor het uiten van woorden als klanken met een bepaalde betekenis. De illocutionary act (illocutionaire handeling of illocutie) staat voor de handeling die de spreker in het uiten van die woorden voltrekt. Hij belooft iets, hij doopt iemand, hij waarschuwt, of hij verklaart iemand de oorlog, etc. De perlocutionary act (de perlocutionaire handeling of perlocutie) staat voor het effect wat de uiting heeft op de hoorders. Dit effect heeft echter geen invloed op de geslaagdheid van de illocutionaire handeling. In geval persoon A persoon B een waarschuwing verleent, en persoon B weigert die waarschuwing ter harte te nemen, geldt de waarschuwing daadwerkelijk als uitgevoerd; het gewenste effect blijft alleen uit. Geen effect is echter ook een effect.
Deze drie handelingen zijn geen los van elkaar bestaande handelingen. Men kan ze beter beschouwen als handelingsdimensies. In een en dezelfde uiting vinden deze drie handelingen samen plaats.
Na Austin heeft J.R. Searle de theorie doorontwikkeld, in zijn boeken Speech Acts (1969) en Expression and Meaning (1979).

Uit bovenstaande verhandeling blijkt dat woorden als handelingen opgevat kunnen worden die effecten dragen.

Voor een meer uitgebreide weergave van de speech act theory, met daarbij ook informatie over John Searle, zie mijn hoofdstuk 1.

woensdag 23 januari 2008

Wolterstorffs Divine Discourse

Hieronder volgt een conceptgedeelte uit de Thesis. Nicholas Wolterstorff, bekend christenfilosoof, zet de speech act theory in voor bepaalde doeleinden, namelijk om de claim te ondersteunen dat God spreekt met gebruik van mensenwoorden. Het volledige gedeelte over Wolterstorff is te vinden in dit document.


Afgevaardigd en toegeëigend spreken
Er zijn situaties denkbaar waarin een hoger geplaatste zijn ondergeschikte als waarnemer aanstelt om in zijn naam te spreken, wat Wolterstorff afgevaardigd spreken (deputized discourse) noemt.[1] Een goed voorbeeld is een ambassadeur die namens een president in het buitenland optreedt. Vanwege zijn aanstelling tot waarneming (deputation) gelden de locutionaire handelingen van de ambassadeur als (count as) de illocutionaire handelingen van het staatshoofd.[2] Het is niet noodzakelijk om te denken dat de ambassadeur zelf spreekt, in de zin dat hij zelf taalhandelingen uitvoert.
Een andere modus van spreken is wanneer iemand het spreken van een ander overneemt. Dit komt bijvoorbeeld voor wanneer iemand zegt: ‘ik sluit mij bij de vorige spreker aan, ik neem zijn woorden over’. Dat heet dan in gebruik genomen of toegeëigend spreken (appropriated discourse).[3] In het geval van toegeëigend spreken is het altijd zo dat dit spreken zelf uit illocutionaire handelingen bestaat, die vervolgens gelden als de illocutionaire handelingen van de partij die het spreken overneemt (appropriating discourse). Het lijkt gerechtvaardigd om hier te spreken van dubbel spreken (double-speaking[4] of double-discourse[5]) omdat twee partijen illocutionaire handelingen uitvoeren. In het geval van afgevaardigd spreken is dit echter niet noodzakelijk, dus is er niet noodzakelijk sprake van dubbel spreken.[6]

In de Bijbel zijn deze twee wijzen van spreken terug te vinden. Het spreken van een profeet, die woorden van God krijgt, aangesteld wordt om die te spreken (commission), en de volmacht krijgt om in Gods naam te spreken (deputation), past binnen het paradigma van afgevaardigd spreken.[7] De rest van de Schrift staat meer in het teken van toegeëigend spreken. Wolterstorff gaat zelfs zover om te stellen dat men de Bijbel als geheel kan zien als toegeëigend spreken.[8] Via dit model wil hij nu verder de Bijbel benaderen, als double discourse.
Samenvattend: het speech act-concept van de locutionaire en illocutionaire handeling in combinatie met het mechanisme van count-generation stelt Wolterstorff in staat om over de Bijbel te spreken als double agency discourse. Bij dit spreken zijn twee partijen betrokken, de menselijke en de goddelijke partij, waarbij de woorden (de locutionaire handelingen, maar het kan ook zijn: de illocutionaire handelingen) van de menselijke partij gelden als het spreken van de goddelijke partij (divine discourse). Door middel van het spreken en schrijven van mensen voert God zijn taalhandelingen van bevelen, verzoeken en beloven uit. Voor het grootste gedeelte spreekt God achteraf, door het spreken van mensen in gebruik te nemen.


[1] Wolterstorff, Divine Discourse, 42.
[2] Wolterstorff, Divine Discourse, 45.
[3] Wolterstorff, Divine Discourse, 51.
[4] Wolterstorff, Divine Discourse, 40.
[5] Wolterstorff, Divine Discourse, 52.
[6] Wolterstorff, Divine Discourse, 52.
[7] Wolterstorff, Divine Discourse, 46-47.
[8] o.a. op Wolterstorff, Divine Discourse, 186-87.

Inhoudsopgave Master Thesis (voorlopig)

Inleiding

Hoofdstuk 1 - De Speech Act Theory (10)
§1.1 – Introductie
§1.2 – J.L. Austin
§1.3 – J.R. Searle
§1.4 – Anderen
§1.5 – Kernelementen van de Speech Act Theory
§1.6 – Vervolgens

Hoofdstuk 2 - Theologische toepassingen van de Speech Act Theory (35)
§2.1 – Introductie
§2.2 – De hermeneutiek van de zelfinsluiting (self-involvement)

2.2.1 - D.D. Evans (1963) - The Logic of Self-Involvement
2.2.2 - A.C. Thiselton (1970-2007)
2.2.3 - R.S. Briggs (2001)
2.2.4 – Samenvatting
§2.3 – Exegetische toepassingen
2.3.1 - J.E. Botha (1991)
2.3.2 - D. Neufeld (1994)
2.3.3 - J.W. Adams (2006)
§2.4 – Gods spreken als illocutionaire handeling
2.4.1 - N. Wolterstorff (1995)
2.4.2 - K.J. Vanhoozer (1998, 2001)
2.4.3 - Samenvatting
§2.5 – Mogelijkheden voor bijbelse en theologische toepassing op een rij
§2.6 – Conclusie

Hoofdstuk 3 – Tekst en effect (10)

§3.1 – Introductie
§3.2 – De perlocutionaire handeling
§3.3 – Thiselton en Vanhoozer over de transformerende tekst
3.3.1 - Thiselton
3.3.2 - Vanhoozer
3.3.3 - Evalutie
§3.4 – Tekst en effect

3.4.1 - Introductie
3.4.2 - Illocutionaire en perlocutionaire effectiviteit
3.4.3 - Perlocutionaire markers
3.4.4 - Self-involving reading
3.4.5 - Performatives en performance reading

Hoofdstuk 4 – Genezing als taalhandeling (12)
§4.1 – Introductie
§4.2 - Genezing in het Nieuwe Testament

4.2.1 – Ziekte en gezondheid in het Nieuwe Testament
4.2.2 – Overzicht van teksten

§4.3 - Analyse

4.3.1 – Introductie: SAT instrumentarium
4.3.2 – Analyse van 5 NT-teksten

4.3.2.1 - De knecht van de centurio (Mt8;Lk7)
4.3.2.2 - De bloedvloeiende vrouw (Mk5;Mt9;Lk8)
4.3.2.3 - De dove en stomme man (Mk7)
4.3.2.4 - De tien melaatsen (Lk17)
4.3.2.5 - De 38-jarige zieke (Jh5)
§4.4 - Conclusie: Woord en effect in genezing
Appendix bij hoofdstuk 4- Genezingsgevallen en hun methode

Conclusie (2)
Bibliografie (3)