woensdag 10 september 2008

test


dfdfdfdfdf

maandag 18 augustus 2008

Tussen concept en voltooiing


Het einde moet nu toch echt naderen.

Via deze link verkrijgt men toegang tot de meest recente versie van de Thesis.

zaterdag 24 mei 2008

Hermeneutiek van self-involvement


Self-involvement houdt in dat de spreker zich in de tekst 'stopt'. Het uitspreken van een belijdenis is zoiets. 'Jezus is Heer' is immers veel meer dan een statement of een waarheidsclaim. De spreker creëert hiermee een wereld, waarin Jezus Heer is, en wil in die wereld leven. Hij bindt zich aan deze woorden, hij kan erop aangesproken worden.
Omgekeerd kan een tekst ervoor zorgen dat een lezer zich 'involveert' in de standen van zaken van de tekst. Briggs zegt hierover: 'we invest ourselves in the text and in the process we are changed; acted upon by its speech acts.' Als het bijvoorbeeld over vergeving gaat, laat de tekst zien wat de taalhandeling inhoudt, en aan welke condities ervoor moet worden voldaan om een geslaagde taalhandeling te zijn. De tekst is een serie van taalhandelingen die de lezer 'involveert'/erbij betrekt. 'In response, the reader invests herself in the text.' Dit is tevens een oplossing voor het hermeneutisch probleem.
Zie het artikel van Briggs over deze zaken.

donderdag 22 mei 2008

dinsdag 20 mei 2008

Naam geven - een taalhandeling


De taalhandeling van naamgeving is best interessant. De locutionaire handeling van het uiten van de de naam die de ouder uitvoert bij de burgerlijke stand (gaat dat tegenwoordig nog zo, of kun je je kind ook via internet uploaden en burgerlijk laten inloggen?) geldt als de illocutionaire handeling van het geven van de naam. Het effect is dat deze mens nu altijd met zijn of haar naam door het leven zal moeten. Tenzij... deze mens de naam wil laten wijzigen.
Een van de 'entailments' is dat het kind de naam zal accepteren, en zich met die naam ook zal representeren. Ook van anderen wordt gevraagd het kind met deze naam aan te spreken. Zo respecteert men de eigen persoonlijkheid van het kind. Door het een andere naam te geven, kan men de naamdrager kwetsen of complimenteren. Meestal wordt een daarvoor gevoelige naam verbasterd tot een naar woord; het effect is dan kwetsend.
In de Bijbel worden bij de vleet namen gegeven. Vaak dragen zij hier een symbolische waarde. Zij verwijzen vaak naar God. Soms dienen zij ter herinnering aan een belangrijke gebeurtenis, bijvoorbeeld Ikabod = de eer is weggenomen. De mens die onder deze naam opgroeit is het levende en wandelende gedenkteken aan dat historische feit. Denk ook aan de namen die Hosea aan zijn kinderen moest geven: Lo-Ammi (niet Mijn volk), Lo-Rochuma (geen ontferming). Er is echter uitzicht dat deze namen in het positieve tegendeel worden gewijzigd. Namen dragen dus ook een boodschap van God. De naamdrager draagt deze boodschap in de naam met zich mee. Elke keer als de naam wordt genoemd wordt deze boodschap geactualiseerd en uitgedragen, ook al is men zich daar niet altijd van bewust.
Sommige namen dragen een belofte in zich mee: Jozua en Jezus (Jahweh redt), of een claim: 'God is mijn Vader' (Abia). Als naamdrager heb je dan een flinke dobber: zie die naam maar eens waar te maken! Je hele leven is een groot entailment dat de vervulling van de belofte of claim inhoudt. Wanneer je faalt, faalt de taalhandeling van de naamgeving. Deze was in eerste instantie succesvol, maar een goede naam moet zich zichzelf doorzetten.
Verrassend en ook bemoedigend is het om te lezen in Openbaring 2,17: 'Wie oren heeft, moet horen wat de Geest tegen de gemeenten zegt. Wie overwint zal ik van het verborgen manna geven, en ook een wit steentje waarop een nieuwe naam staat die niemand kent, behalve degene die het ontvangt.' Deze nieuwe naam luidt een nieuw tijdperk in. Een ander geval van een nieuwe naamgeving is van Simon in Petrus (Rots) (Mt16,18). Dat was een bevestiging van zijn geloofsuitspraak (vers 16) en tegelijkertijd een opdracht om een Rots te zijn.

Coming to an end


De Thesis is in de fase der afronding gekomen. Dat is goed en dat is jammer. Jammer, omdat het voor mijn gevoel niet helemaal uitgekookt is. Teveel hoofdstuk 2 (weergave van anderen) en te weinig hoofdstuk 3 / 4 (eigen toepassing). Hoofdstuk 4 zal er zelfs wel afgaan. Maar goed, dat kunnen we zeker nog wel voor een andere keer gebruiken. Ik denk niet aan een proefschrift hoor, maar wel aan mogelijkheden om de verbinding tussen speech act theory en bijbelse interpretatie voor mezelf verder te doordenken en uit te werken. Misschien ergens als artikeltje publiceren.
Hoofdstuk 2 heeft nog wat aanvullingen nodig in de sfeer van secundaire literatuur, met name bij de evaluaties die ik geef. Die komen teveel uit eigen wijsheid op.
Hoofdstuk 3 verdient ook nog wat extra aandacht. Het experiment kan uitgewerkter; het gant nog te veel in de beschrijvende sfeer. Moeilijkheid ervaar ik nog wat en hoe de hermeneutiek van de self-involvement met tekstuele effecten te maken heeft. Kernvraag is, hoe de tekst te werk gaat om de lezer involved te krijgen, en welke effecten dit oplevert.

vrijdag 18 april 2008

Tekstuele illocuties en perlocuties uitvoeren in een 'performative performance reading'

3.4.4 – Tekstuele illocuties en perlocuties uitvoeren in een performative performance reading

Nicholas Lash[1] en Frances Young[2] hebben aandacht gevraagd voor de analogie van het lezen van een tekst als uitvoering van een muziekstuk.[3] De tekst is in deze analogie de muziekbalk, het interpreteren of het lezen is het overzetten van de muziek op de balk in werkelijke muziek (Young). Of het uitvoeren van het stuk staat gelijk aan het christelijke discipelschap, dat de bijbeltekst uitvoert (Lash). Geen enkele uitvoering is hetzelfde; er is ruimte voor creativiteit. Toch wordt elke uitvoering beperkt in zijn mogelijkheden door de muziekbalk.
Deze analogie is toepasbaar op de tekst als tekst, maar tevens is toespitsing mogelijk op de illocuties en perlocuties in/van de tekst (die door de tekst gevormd worden). Het betekent dat de tekst wordt gezien als een handeling, die eens geweest is, een handeling die nu gestold ligt in de tekst (embodied act) maar die tevens weer opnieuw tot leven kan worden gebracht door opnieuw uitgevoerd te worden. De performatieven krijgen een nieuwe uitvoering, vandaar performative performance.
Van de lezer wordt gevraagd dat hij de in de tekst aanwezige illocuties en perlocuties opspoort en ze benoemt [interpreteert]. Een belofte als belofte, een dreigement als dreigement, een bevel als bevel, een waarheidsclaim als waarheidsclaim, een geloofsbelijdenis als geloofsbelijdenis, een lofprijzing als lofprijzing etc. Dit is een kwestie van interpreteren en zou al enigszins als een zaak van uitvoeren gezien kunnen worden. Immers, het taalhandelingspotentieel van de tekst wordt weer gerealiseerd en geactualiseerd. Hierna zou de lezer de illocuties kunnen uitspreken, misschien zelfs letterlijk. De lezer wordt spreker. Hier ligt de verbinding tussen oral performance en performative performance: in het mondeling uitspreken van de tekst wordt de tekst en daarin de illocuties opnieuw afgespeeld. De tekst wordt op deze manier tot een eventful text.
In dit proces wordt van de sprekende lezer gevraagd zelf ook hoorder te zijn van de gesproken (=uitgevoerde) illocuties. De lezer wordt spreker en hoorder tegelijk, zender en ontvanger.

[1] N. Lash, ‘Performing the Scriptures’, in: Theology on the Way to Emmaus (London: SCM-Canterbury Press, 1986) pp.37-46.
[2] F. Young, Virtuoso Theology. The Bible and Interpretation (oorspr.uitgave: The Art of Performance. Towards a Theology of Holy Scripture; Cleveland, Ohio: Pilgrim Press, 1993) ix + 198pp.
[3] Vgl. hoofdstuk 10 ‘Performance Interpretation’ in Wolterstorff, Divine Discourse, pp.171-82.

Thiselton, speech act theory en de transformerende tekst


Door Thiseltons werk New Horizons heen speelt de vraag naar het (transformerend) effect van de bijbeltekst. Het komt niet overal expliciet aan de orde, maar is wel een grondthema. Met name in de introductie, hoofdstuk 1, 8, 15 en 16 wordt het gethematiseerd. Het is bijvoorbeeld te vinden in de titel van hoofdstuk 1, Transforming Texts, waar de dubbelheid in zit dat zowel teksten een transformerende werking kunnen hebben op lezers als lezers op teksten.[1]
(…)
In hoofdstuk 1 noemt Thiselton de speech act theory (1) als één van de verklarende modellen van de wijze waarop teksten een ‘creative impact’ op lezers maken.[2] Er is een variëteit aan manieren waarop teksten, in het bijzonder bijbelse teksten, transformerende effecten kunnen hebben. Andere modellen zijn die van de in een narratieve tekst geprojecteerde narrative-world (2), het model van het interpersoonlijk verstaan (3) en het concept van de verwachtingshorizon (horizon of expectation) (4).
(…)
In hoofdstuk 8 van New Horizons blijkt verder dat speech act theory een goede manier is om over (de) transformerende tekst na te denken. Als voorbeeld gelden christologische teksten, met illocutionaire handelingen, waaronder een christologische waarheid ligt (wordt verondersteld). Deze teksten (of de taalhandelingen erin) brengen een transformatie te weeg, die verder gaat dan alleen het historisch publiek: ‘Christological truth constitutes the basis on which, to borrow Recanati’s phrase, there is more than a merely textual or intralinguistic claim to perform acts in speech-utterances like those of actors on a stage; the acts are effectively performed. They bring about a transformation in the extra-linguistic relationship between the speaker and the audience, and invite the reader to participate in that extra-linguistic transformation and relationship.[3]
Thiselton bespreekt de twee verschillende correspondentierichtingen. Daarvan gaat de wereld-naar-woorden-correspondentierichting over het effect van taal op de wereld. Thiselton laat zien dat uitingen met deze richting (vaak) gesteund worden door standen van zaken of uitingen met de andere correspondentierichting. Wat betreft de wereld-naar-woorden-richting, zo schrijft hij in zijn opstel in The Promise of Hermeneutics, springen twee illocutionaire strekkingen er uit: belofte en bevel.[4] Belofte is daarbij toonaangevend. ‘Finally, promise provides a paradigm case of how language can transform the world of reality.’[5] Bij het besluiten van het genoemde opstel noemt Thiselton transformatie en verandering de hoofdelementen van het doel van Gods woord.[6]
Terwijl Thiselton na zijn hoofdstuk over de speech act theory weinig expliciet spreekt over transformatie en effect, stelt hij in de laatste hoofdstukken (15 en 16) van New Horizons genoemde zaken explicieter aan de orde. Daar behandelt hij tien leesmodellen, die aansluiten bij bepaalde pastorale of lezerssituaties.[7] Van deze modellen bieden met name het existentialistische model (a), het narratieve model (b), het model van bijbelse symbolen (c), en het model van speech act theory (d) potentieel voor het denken over transformatie en effect.
(…)
(d) De behandeling van het model van speech act theory (in hoofdstuk 16) opent Thiselton met een belangrijke opmerking: ‘In speech-act theory … the determinant for the effects which an utterance or written communicative message produces is the nature of the act which the agent who speaks or writes performs. It has the quality of directedness which, in Searle and other post-Wittgensteinian theorists denotes the “adverbial” intentionality of the speech-act. The effects are performative or illocutionary, in a very large class of cases, within the extra-linguistic world. Normally their directedness implies either that they are addressed to a specific situation or that they apply to types or patterns of situation.’[8] Als voorbeelden worden gegeven: beloften, volmachtigingen, handelingen van vergeving, die alle een bepaald adres veronderstellen.
Thiselton maakt een onderscheid tussen, enerzijds, gevallen van beloften en machtigingen, waar iets op het spel staat in de extra-linguïstische houding en toewijding van de spreker of schrijver; en anderzijds gevallen van gebeden en belijdenissen, waar iets op het spel staat in de extra-linguïstische houding of toewijding van die lezers die participeren in het taalhandelingskarakter van de tekst als taalhandeling.[9] De lezers participeren in ‘the count-generated act’. ‘They perceive themselves as recipients or addressees of directed acts of commitment, or of promise.’[10]
De ene kant wordt duidelijk in dit citaat: ‘In theological terms, readers may perceive themselves as liberated, empowered, authorized, forgiven and loved in the operation of the text.’[11] De andere kant komt naar voren in de behandeling van een vers uit Psalm 25, vers 2: ‘O God, ik betrouw op U.’ ‘If the words express only the Psalmist’s trust, they reflect a word-to-world direction of fit; if they commit the reader to an act of trust, they embody a world-to-word direction of fit. … It functions as a self-involving illocutionary act, which carries practical consequences for the life and behaviour of the reader.’[12] Het verschil tussen deze twee mogelijkheden ligt in de capaciteit van dezelfde linguïstische handeling om, naast een assertive, ook te tellen als een commissive-expressive handeling, die ook self-involving consequenties draagt voor het praktische leven.[13]
Wanneer ik de hoofdzaken uit Thiseltons behandeling van de speech act theory met het oog op effect op een rij zet, kom ik tot de volgende punten:
  • De effecten die Thiselton op het oog heeft, zijn hoofdzakelijk/uitsluitend illocutionair.
  • Voor de bepaling van het effect is het nodig om naar de soort illocutie te kijken. Dat wordt duidelijk door de gerichtheid van de uiting.
  • Deze gerichtheid levert tevens het andere element wat voor het effect bepalend is: het adres.
  • Het hangt voor een groot deel van de lezer af hoe de illocutie effectief is. Ziet hij zichzelf als
    geadresseerde? Wat durft hij op het spel te zetten in het lezen van de tekst? Laat hij zich op een self-involving wijze in met de tekst?

Deze zaken maken wel duidelijk dat het niet gaat om een ‘anything goes’-model: voor effectieve illocuties zijn standen van zaken nodig, zowel bij de schrijver als bij de lezer. ‘Many examples of promise presuppose state of affairs both on the part of a speaker or writer and the addressee. The invitation “Let him who is thirsty come, let him who desire take the water of life without price” (Rev. 22:17) operates as an invitation only if the power to relieve thirst can be exercized, and the addressee perceives himself or herself as being in need.’[14]


[1] ‘The phrase “transforming texts” can be interpreted in two ways. Texts can actively shape and transform the perceptions, understanding, and actions of readers and of reading communities. … But texts can also suffer transformation at the hands of readers and reading communities. Readers may misunderstand and thereby misuse them; they may blunt their edge and domesticate them; or they may consciously or unconsciously transform them into devices for maintaining and confirming prejudices or beliefs which are imposed on others in the name of the text. Readers and interpreters may also endow texts with new life in the context of new situations.’ Thiselton, New Horizons, 31.
[2] Thiselton, New Horizons, 32. Zijn veronderstelling dat er niet één model bestaat dat zelfstandig de veelkleurige rijkdom aan teksten kan bestrijken, speelt hier weer mee.
[3] Thiselton, New Horizons, 291. Cursivering van Thiselton.
[4] ‘Two kinds of speech acts may bring the world into conformity with the purposes of God.’ Thiselton, ‘Communicative Action’, 239.
[5] Thiselton, ‘Communicative Action’, 238. Een soortgelijke opmerking in New Horizons, 618: ‘By contrast, divine promise transforms the world-as-it-is in accordance with the word of promise: in Searle’s language, in a world-to-word direction of fit.’
[6] ‘Hence transformation and change constitute the purposive goal of God’s word…’ Thiselton, ‘Communicative Action’, 239. Hierin spelen bevel (gehoorzaamheid, wet) en belofte (verbondsgrond, genade) gezamenlijk een rol.
[7] Te weten het (1) reconstructionistisch model, (2) existentialistisch model, (3) model van narratieve theorieën, (4) model van bijbelse symbolen, (5) model van semiotische productie, (6) reader-response model, (7) model van socio-pragmatische contextualisatie, (8) deconstructiemodel, (9) speech act theory-model, (10) socio-kritisch model.
[8] Thiselton, New Horizons, 597. Cursivering van Thiselton, behalve laatste maal.
[9] Thiselton, New Horizons, 598.
[10] Thiselton, New Horizons, 598. Cursivering van Thiselton.
[11] Thiselton, New Horizons, 598.
[12] Thiselton, New Horizons, 599. Cursivering van Thiselton.
[13] Thiselton, New Horizons, 599.
[14] Thiselton, New Horizons, 601. Cursivering van Thiselton.

dinsdag 11 maart 2008

Actuele gevallen van taalhandelingen

Enkele maatschappelijke en kerkelijke voorbeelden

(1) De zgn. bekentenis van Joran van der Sloot. Is een stoer verhaal dat je onder vier ogen tegen je maat ophangt een bekentenis? Het heeft niet die gerichtheid, niet de kenmerken van een bekentenis. Eén van de voorwaarden voor een bekentenis is dat je je tegenover een persoon bevindt die datgene wat je gaat vertellen niet fijn zal gaan vinden. Vanuit Jorans perspectief is dit niet zo. In de setting van de auto meende hij een Patrick welgevallig verhaal te doen.
Het is wel zo dat het publiek, voor wie de uitzending komt als een verhaal, de woorden van Joran in het verhaal kan tellen als een bekentenis.

(2) Is het recht op vrijheid van meningsuiting hetzelfde als het recht op beledigen? Hier wordt een illocutionaire handeling met een perlocutionaire verwisseld. Mening uiten valt onder de illocutionaire groep van assertives (een claim over de waarheid doen) of expressives (uitdrukking geven aan een gevoel of houding). Beledigen kan men niet als illocutionaire handeling zien. Een goede test of iets een illocutie is, is of je het expliciet kunt maken. Bij een meningsuiting kan dat. Je kunt impliciet je mening uiten ('volgens mij is het zo dat ...'), maar ook expliciet: 'het is mijn mening dat...'. Bij beledigen kun je niet zeggen: 'ik beledig jou'. Je kunt wel een waarheidsclaim over die ander doen ('je ziet er uit als een aap') en daarmee die persoon beledigen. Het effect van je waarheidsclaim is dat je iemand beledigt. Dus beledigen is een perlocutionaire handeling.
Of iemand beledigd raakt, hangt in ieder geval voor een deel af van de ontvanger. De garantie voor effect ligt noch geheel aan de kant van de zender, noch geheel aan de kant van de ontvanger. Belangrijk aan de kant van de zender is zijn intentie. Die moet echter wel aangetoond of nader toegelicht kunnen worden, eventueel op goede gronden ontkend kunnen worden. Een gewichtgevend aspect aan de kant van de ontvanger is diens gevoeligheid. De zender zou hier op z'n minst rekening mee kunnen houden.

(3) Is het mogelijk dat de paus uitspraken die in het verleden zijn gedaan ongedaan kan maken? Ik moet denken aan een opheffen van de ban op Maarten Luther, of herroeping van de uitspraken van Trente, waar het anathema ('vervloekt') over bepaalde mensen wordt uitgesproken (zie artikel RD). Voorwaarde hiervoor is dat de persoon hiervoor zich in een positie van gezag bevindt. In het geval van de paus lijkt me dit wel gegarandeerd. Maar kan dat zomaar?
'Overigens is het vrijwel onmogelijk om de ban ongedaan te maken. Als de paus dat zou doen, zet hij feitelijk zijn eigen functie op het spel. Luther wilde immers graag van de paus en het concilie af.' (prof. dr. P. Nissen in RD van 7 maart 2008)
Het blijkt in de praktijk lastig te zijn om uitspraken in het verleden effectief te herroepen. Bovendien, de effecten die die uitspraken destijds hebben veroorzaakt, opgeroepen en uitgelokt (de perlocutionaire effecten van de illocutionaire handelingen), kun je niet simpelweg ongedaan maken. Wij wensen de paus veel wijsheid in zijn beslissing...

woensdag 13 februari 2008

Voorwaarden voor een effectieve taalhandeling

Wil een taalhandeling werkelijk wat uitrichten, dan zal er aan een aantal voorwaarden voldaan moeten worden. Dat is makkelijk in te zien bij een belofte: voor een geslaagde belofte moet de belover in staat zijn om het beloofde waar te maken. Bovendien moet degene aan wie hij iets belooft er beter van worden. 'De volgende keer sla ik je een bloedneus, dat beloof ik je' is nu niet bepaald een belofte.
Voor een bevel moet de beveler in een positie van gezag verkeren. Hij moet de autoriteit zijn verleend, of het respect hebben afgedwongen, om het bevel te kunnen geven. Een bijbels voorbeeld is de centurio, die naar Jezus komt (Mt 8). Hij herkent in Jezus iemand met gezag. Daarom kan Jezus door middel van het spreken van een woord zijn slaaf genezen.

Austin noemt als 'voorwaarden voor geslaagdheid' :
a- er moet een procedure bestaan volgens welke de taalhandeling wordt uitgevoerd
b- de procedure moet correct worden gevolgd
c- er moet ernst in het spel zijn (voor bepaalde taalhandelingen, zoals beloven)

Searle somt een hele rij op in Speech Acts.

Wat is de Speech Act Theory? (2)

John Searle heeft na J.L. Austin de theorie verder ontwikkeld. Hij heeft Austins werk meer gesystematiseerd, door te bezien welke verschillende regels er onder onze communicatie liggen, en die proberen te benoemen.
Belangrijk is zijn indeling van de taalhandelingen in vijf verschillende soorten:
(a) assertives
(b) directives
(c) commissives
(d) expressives
(e) declarations
Hierbij zegt Searle: Grofweg doen wij vijf verschillende dingen wanneer wij spreken: (a) We vertellen hoe de werkelijkheid is, doen claims over de werkelijkheid. Bijv. 'de deur staat open'. Dit is een assertive (van to assert, beweren). (b) We proberen dingen gedaan te krijgen. Bijv. 'doe de deur dicht, alsjeblieft'. Dit is een directive (van to direct, besturen). (c) We beloven om dingen te doen. Bijv. 'ik zal zometeen de deur dicht doen'. Dit is een commissive (van to commit, toewijden). (d) We drukken onze gevoelens of onze houding ten opzichte van iets uit. Bijv. 'ik vind het bijzonder naar dat de deur openstaat'. Dit is een expressive (van to express, uitdrukken). (e) We veranderen de dingen door onze woorden. Bijv. 'ik verklaar deze zitting voor geopend'. Dit is een declaration of declarative (van to declare, verklaren).
Verder zegt Searle: deze vijf dingen zijn in te delen in twee verschillende soorten verhoudingen tussen woorden en wereld. Aan de ene kant heb je uitspraken waarbij de woorden bedoeld zijn om de werkelijkheid te weerspiegelen. Dan passen de woorden zich aan de werkelijkheid aan. Vandaar dat dit heet de woorden-naar-wereld-aanpasrichting. Aan de andere kant staan uitspraken waarbij de bedoeling is dat de wereld zich aan de woorden aanpast. Dit heet de wereld-naar-woorden-aanpasrichting. Beloften (commissives) en bevelen (directives) vallen binnen de laatste categorie, bewerende uitspraken (assertives) binnen de eerste categorie.

We kunnen dus met woorden uiteenlopende dingen doen. Belangrijk is om af te vragen: wat doet de spreker nu eigenlijk in zijn woorden? Doet hij een belofte, wil hij zeggen hoe hij de werkelijkheid ziet, of geeft hij een bevel? Voor de interpretatie van teksten is het goed om door te krijgen wat de spreker of schrijver voor handelingen verricht in zijn woorden. Zo ontstaat er beter zicht op de aard en de functie van de tekst.

donderdag 24 januari 2008

Wat is de Speech Act Theory? (1)

Hier volgt een introductie van de speech act theory, een vereenvoudiging van mijn hoofdstuk 1.

De speech act theory is een taalfilosofische theorie, die in het midden van de vorige eeuw opkwam dankzij J.L. Austin uit Oxford. Hij hield in 1955 lezingen, die in 1962 zijn gepubliceerd in How to Do Things with Words. Daarin maakte hij eerst een onderscheid tussen performatives en constatives, tussen die vormen van taal waarin de spreker een handeling voltrekt en die vormen waarin de spreker iets beweert, stelt of beschrijft. Een goed voorbeeld van een performative is het dopen van een persoon of schip, waarbij de woorden van de spreker (hierbij doop ik...) niet een toelichting zijn op wat hij doet (kijk eens, ik doop), maar de werkelijke voltrekking van de daad van het dopen zelf. Door te zeggen: 'ik doop jou/u/dit schip' doopt de spreker daadwerkelijk. De uiting die hij doet is een taalhandeling (speech act).
Nu kan er wel eens wat misgaan bij een handeling. Het water voor de doop kan plotseling op blijken te zijn, of de spreker is niet in de positie om te dopen. In dat geval is de handeling ineffectief. Voor het welslagen van een taalhandeling is tenminste een tweetal dingen nodig: er moet een procedure voorhanden zijn volgens welke de handeling uitgevoerd kan worden én de procedure moet zonder mislukkingen gevolgd worden.
Verderop in zijn lezingen is Austin afgestapt van het scherpe onderscheid tussen constatives en performatives, omdat de eerste welbeschouwd ook een daadkarakter dragen (door te zeggen: 'ik stel dat dit zo is', stel ik daadwerkelijk; ik doe een claim) en de tweede niet zonder feitelijke ondergrond kunnen bestaan. Bepaalde standen van zaken moeten waar zijn voordat een speech act geslaagd kan heten. In plaats van dit onderscheid ging Austin spreken over locutionary, illocutionary en perlocutionary acts. De locutionary act (locutionaire handeling of locutie) staat voor het uiten van woorden als klanken met een bepaalde betekenis. De illocutionary act (illocutionaire handeling of illocutie) staat voor de handeling die de spreker in het uiten van die woorden voltrekt. Hij belooft iets, hij doopt iemand, hij waarschuwt, of hij verklaart iemand de oorlog, etc. De perlocutionary act (de perlocutionaire handeling of perlocutie) staat voor het effect wat de uiting heeft op de hoorders. Dit effect heeft echter geen invloed op de geslaagdheid van de illocutionaire handeling. In geval persoon A persoon B een waarschuwing verleent, en persoon B weigert die waarschuwing ter harte te nemen, geldt de waarschuwing daadwerkelijk als uitgevoerd; het gewenste effect blijft alleen uit. Geen effect is echter ook een effect.
Deze drie handelingen zijn geen los van elkaar bestaande handelingen. Men kan ze beter beschouwen als handelingsdimensies. In een en dezelfde uiting vinden deze drie handelingen samen plaats.
Na Austin heeft J.R. Searle de theorie doorontwikkeld, in zijn boeken Speech Acts (1969) en Expression and Meaning (1979).

Uit bovenstaande verhandeling blijkt dat woorden als handelingen opgevat kunnen worden die effecten dragen.

Voor een meer uitgebreide weergave van de speech act theory, met daarbij ook informatie over John Searle, zie mijn hoofdstuk 1.

woensdag 23 januari 2008

Wolterstorffs Divine Discourse

Hieronder volgt een conceptgedeelte uit de Thesis. Nicholas Wolterstorff, bekend christenfilosoof, zet de speech act theory in voor bepaalde doeleinden, namelijk om de claim te ondersteunen dat God spreekt met gebruik van mensenwoorden. Het volledige gedeelte over Wolterstorff is te vinden in dit document.


Afgevaardigd en toegeëigend spreken
Er zijn situaties denkbaar waarin een hoger geplaatste zijn ondergeschikte als waarnemer aanstelt om in zijn naam te spreken, wat Wolterstorff afgevaardigd spreken (deputized discourse) noemt.[1] Een goed voorbeeld is een ambassadeur die namens een president in het buitenland optreedt. Vanwege zijn aanstelling tot waarneming (deputation) gelden de locutionaire handelingen van de ambassadeur als (count as) de illocutionaire handelingen van het staatshoofd.[2] Het is niet noodzakelijk om te denken dat de ambassadeur zelf spreekt, in de zin dat hij zelf taalhandelingen uitvoert.
Een andere modus van spreken is wanneer iemand het spreken van een ander overneemt. Dit komt bijvoorbeeld voor wanneer iemand zegt: ‘ik sluit mij bij de vorige spreker aan, ik neem zijn woorden over’. Dat heet dan in gebruik genomen of toegeëigend spreken (appropriated discourse).[3] In het geval van toegeëigend spreken is het altijd zo dat dit spreken zelf uit illocutionaire handelingen bestaat, die vervolgens gelden als de illocutionaire handelingen van de partij die het spreken overneemt (appropriating discourse). Het lijkt gerechtvaardigd om hier te spreken van dubbel spreken (double-speaking[4] of double-discourse[5]) omdat twee partijen illocutionaire handelingen uitvoeren. In het geval van afgevaardigd spreken is dit echter niet noodzakelijk, dus is er niet noodzakelijk sprake van dubbel spreken.[6]

In de Bijbel zijn deze twee wijzen van spreken terug te vinden. Het spreken van een profeet, die woorden van God krijgt, aangesteld wordt om die te spreken (commission), en de volmacht krijgt om in Gods naam te spreken (deputation), past binnen het paradigma van afgevaardigd spreken.[7] De rest van de Schrift staat meer in het teken van toegeëigend spreken. Wolterstorff gaat zelfs zover om te stellen dat men de Bijbel als geheel kan zien als toegeëigend spreken.[8] Via dit model wil hij nu verder de Bijbel benaderen, als double discourse.
Samenvattend: het speech act-concept van de locutionaire en illocutionaire handeling in combinatie met het mechanisme van count-generation stelt Wolterstorff in staat om over de Bijbel te spreken als double agency discourse. Bij dit spreken zijn twee partijen betrokken, de menselijke en de goddelijke partij, waarbij de woorden (de locutionaire handelingen, maar het kan ook zijn: de illocutionaire handelingen) van de menselijke partij gelden als het spreken van de goddelijke partij (divine discourse). Door middel van het spreken en schrijven van mensen voert God zijn taalhandelingen van bevelen, verzoeken en beloven uit. Voor het grootste gedeelte spreekt God achteraf, door het spreken van mensen in gebruik te nemen.


[1] Wolterstorff, Divine Discourse, 42.
[2] Wolterstorff, Divine Discourse, 45.
[3] Wolterstorff, Divine Discourse, 51.
[4] Wolterstorff, Divine Discourse, 40.
[5] Wolterstorff, Divine Discourse, 52.
[6] Wolterstorff, Divine Discourse, 52.
[7] Wolterstorff, Divine Discourse, 46-47.
[8] o.a. op Wolterstorff, Divine Discourse, 186-87.

Inhoudsopgave Master Thesis (voorlopig)

Inleiding

Hoofdstuk 1 - De Speech Act Theory (10)
§1.1 – Introductie
§1.2 – J.L. Austin
§1.3 – J.R. Searle
§1.4 – Anderen
§1.5 – Kernelementen van de Speech Act Theory
§1.6 – Vervolgens

Hoofdstuk 2 - Theologische toepassingen van de Speech Act Theory (35)
§2.1 – Introductie
§2.2 – De hermeneutiek van de zelfinsluiting (self-involvement)

2.2.1 - D.D. Evans (1963) - The Logic of Self-Involvement
2.2.2 - A.C. Thiselton (1970-2007)
2.2.3 - R.S. Briggs (2001)
2.2.4 – Samenvatting
§2.3 – Exegetische toepassingen
2.3.1 - J.E. Botha (1991)
2.3.2 - D. Neufeld (1994)
2.3.3 - J.W. Adams (2006)
§2.4 – Gods spreken als illocutionaire handeling
2.4.1 - N. Wolterstorff (1995)
2.4.2 - K.J. Vanhoozer (1998, 2001)
2.4.3 - Samenvatting
§2.5 – Mogelijkheden voor bijbelse en theologische toepassing op een rij
§2.6 – Conclusie

Hoofdstuk 3 – Tekst en effect (10)

§3.1 – Introductie
§3.2 – De perlocutionaire handeling
§3.3 – Thiselton en Vanhoozer over de transformerende tekst
3.3.1 - Thiselton
3.3.2 - Vanhoozer
3.3.3 - Evalutie
§3.4 – Tekst en effect

3.4.1 - Introductie
3.4.2 - Illocutionaire en perlocutionaire effectiviteit
3.4.3 - Perlocutionaire markers
3.4.4 - Self-involving reading
3.4.5 - Performatives en performance reading

Hoofdstuk 4 – Genezing als taalhandeling (12)
§4.1 – Introductie
§4.2 - Genezing in het Nieuwe Testament

4.2.1 – Ziekte en gezondheid in het Nieuwe Testament
4.2.2 – Overzicht van teksten

§4.3 - Analyse

4.3.1 – Introductie: SAT instrumentarium
4.3.2 – Analyse van 5 NT-teksten

4.3.2.1 - De knecht van de centurio (Mt8;Lk7)
4.3.2.2 - De bloedvloeiende vrouw (Mk5;Mt9;Lk8)
4.3.2.3 - De dove en stomme man (Mk7)
4.3.2.4 - De tien melaatsen (Lk17)
4.3.2.5 - De 38-jarige zieke (Jh5)
§4.4 - Conclusie: Woord en effect in genezing
Appendix bij hoofdstuk 4- Genezingsgevallen en hun methode

Conclusie (2)
Bibliografie (3)