
dfdfdfdfdf
Eindscriptie binnen de hermeneutiek over de effectiviteit van bijbelteksten
3.4.4 – Tekstuele illocuties en perlocuties uitvoeren in een performative performance reading
Nicholas Lash[1] en Frances Young[2] hebben aandacht gevraagd voor de analogie van het lezen van een tekst als uitvoering van een muziekstuk.[3] De tekst is in deze analogie de muziekbalk, het interpreteren of het lezen is het overzetten van de muziek op de balk in werkelijke muziek (Young). Of het uitvoeren van het stuk staat gelijk aan het christelijke discipelschap, dat de bijbeltekst uitvoert (Lash). Geen enkele uitvoering is hetzelfde; er is ruimte voor creativiteit. Toch wordt elke uitvoering beperkt in zijn mogelijkheden door de muziekbalk.
Deze analogie is toepasbaar op de tekst als tekst, maar tevens is toespitsing mogelijk op de illocuties en perlocuties in/van de tekst (die door de tekst gevormd worden). Het betekent dat de tekst wordt gezien als een handeling, die eens geweest is, een handeling die nu gestold ligt in de tekst (embodied act) maar die tevens weer opnieuw tot leven kan worden gebracht door opnieuw uitgevoerd te worden. De performatieven krijgen een nieuwe uitvoering, vandaar performative performance.
Van de lezer wordt gevraagd dat hij de in de tekst aanwezige illocuties en perlocuties opspoort en ze benoemt [interpreteert]. Een belofte als belofte, een dreigement als dreigement, een bevel als bevel, een waarheidsclaim als waarheidsclaim, een geloofsbelijdenis als geloofsbelijdenis, een lofprijzing als lofprijzing etc. Dit is een kwestie van interpreteren en zou al enigszins als een zaak van uitvoeren gezien kunnen worden. Immers, het taalhandelingspotentieel van de tekst wordt weer gerealiseerd en geactualiseerd. Hierna zou de lezer de illocuties kunnen uitspreken, misschien zelfs letterlijk. De lezer wordt spreker. Hier ligt de verbinding tussen oral performance en performative performance: in het mondeling uitspreken van de tekst wordt de tekst en daarin de illocuties opnieuw afgespeeld. De tekst wordt op deze manier tot een eventful text.
In dit proces wordt van de sprekende lezer gevraagd zelf ook hoorder te zijn van de gesproken (=uitgevoerde) illocuties. De lezer wordt spreker en hoorder tegelijk, zender en ontvanger.
[1] N. Lash, ‘Performing the Scriptures’, in: Theology on the Way to Emmaus (London: SCM-Canterbury Press, 1986) pp.37-46.
[2] F. Young, Virtuoso Theology. The Bible and Interpretation (oorspr.uitgave: The Art of Performance. Towards a Theology of Holy Scripture; Cleveland, Ohio: Pilgrim Press, 1993) ix + 198pp.
[3] Vgl. hoofdstuk 10 ‘Performance Interpretation’ in Wolterstorff, Divine Discourse, pp.171-82.
Deze zaken maken wel duidelijk dat het niet gaat om een ‘anything goes’-model: voor effectieve illocuties zijn standen van zaken nodig, zowel bij de schrijver als bij de lezer. ‘Many examples of promise presuppose state of affairs both on the part of a speaker or writer and the addressee. The invitation “Let him who is thirsty come, let him who desire take the water of life without price” (Rev. 22:17) operates as an invitation only if the power to relieve thirst can be exercized, and the addressee perceives himself or herself as being in need.’[14]
Hieronder volgt een conceptgedeelte uit de Thesis. Nicholas Wolterstorff, bekend christenfilosoof, zet de speech act theory in voor bepaalde doeleinden, namelijk om de claim te ondersteunen dat God spreekt met gebruik van mensenwoorden. Het volledige gedeelte over Wolterstorff is te vinden in dit document.
Afgevaardigd en toegeëigend spreken
Er zijn situaties denkbaar waarin een hoger geplaatste zijn ondergeschikte als waarnemer aanstelt om in zijn naam te spreken, wat Wolterstorff afgevaardigd spreken (deputized discourse) noemt.[1] Een goed voorbeeld is een ambassadeur die namens een president in het buitenland optreedt. Vanwege zijn aanstelling tot waarneming (deputation) gelden de locutionaire handelingen van de ambassadeur als (count as) de illocutionaire handelingen van het staatshoofd.[2] Het is niet noodzakelijk om te denken dat de ambassadeur zelf spreekt, in de zin dat hij zelf taalhandelingen uitvoert.
Een andere modus van spreken is wanneer iemand het spreken van een ander overneemt. Dit komt bijvoorbeeld voor wanneer iemand zegt: ‘ik sluit mij bij de vorige spreker aan, ik neem zijn woorden over’. Dat heet dan in gebruik genomen of toegeëigend spreken (appropriated discourse).[3] In het geval van toegeëigend spreken is het altijd zo dat dit spreken zelf uit illocutionaire handelingen bestaat, die vervolgens gelden als de illocutionaire handelingen van de partij die het spreken overneemt (appropriating discourse). Het lijkt gerechtvaardigd om hier te spreken van dubbel spreken (double-speaking[4] of double-discourse[5]) omdat twee partijen illocutionaire handelingen uitvoeren. In het geval van afgevaardigd spreken is dit echter niet noodzakelijk, dus is er niet noodzakelijk sprake van dubbel spreken.[6]
In de Bijbel zijn deze twee wijzen van spreken terug te vinden. Het spreken van een profeet, die woorden van God krijgt, aangesteld wordt om die te spreken (commission), en de volmacht krijgt om in Gods naam te spreken (deputation), past binnen het paradigma van afgevaardigd spreken.[7] De rest van de Schrift staat meer in het teken van toegeëigend spreken. Wolterstorff gaat zelfs zover om te stellen dat men de Bijbel als geheel kan zien als toegeëigend spreken.[8] Via dit model wil hij nu verder de Bijbel benaderen, als double discourse.
Samenvattend: het speech act-concept van de locutionaire en illocutionaire handeling in combinatie met het mechanisme van count-generation stelt Wolterstorff in staat om over de Bijbel te spreken als double agency discourse. Bij dit spreken zijn twee partijen betrokken, de menselijke en de goddelijke partij, waarbij de woorden (de locutionaire handelingen, maar het kan ook zijn: de illocutionaire handelingen) van de menselijke partij gelden als het spreken van de goddelijke partij (divine discourse). Door middel van het spreken en schrijven van mensen voert God zijn taalhandelingen van bevelen, verzoeken en beloven uit. Voor het grootste gedeelte spreekt God achteraf, door het spreken van mensen in gebruik te nemen.
[1] Wolterstorff, Divine Discourse, 42.
[2] Wolterstorff, Divine Discourse, 45.
[3] Wolterstorff, Divine Discourse, 51.
[4] Wolterstorff, Divine Discourse, 40.
[5] Wolterstorff, Divine Discourse, 52.
[6] Wolterstorff, Divine Discourse, 52.
[7] Wolterstorff, Divine Discourse, 46-47.
[8] o.a. op Wolterstorff, Divine Discourse, 186-87.