Hier volgt een introductie van de speech act theory, een vereenvoudiging van mijn hoofdstuk 1.
De speech act theory is een taalfilosofische theorie, die in het midden van de vorige eeuw opkwam dankzij J.L. Austin uit Oxford. Hij hield in 1955 lezingen, die in 1962 zijn gepubliceerd in How to Do Things with Words. Daarin maakte hij eerst een onderscheid tussen performatives en constatives, tussen die vormen van taal waarin de spreker een handeling voltrekt en die vormen waarin de spreker iets beweert, stelt of beschrijft. Een goed voorbeeld van een performative is het dopen van een persoon of schip, waarbij de woorden van de spreker (hierbij doop ik...) niet een toelichting zijn op wat hij doet (kijk eens, ik doop), maar de werkelijke voltrekking van de daad van het dopen zelf. Door te zeggen: 'ik doop jou/u/dit schip' doopt de spreker daadwerkelijk. De uiting die hij doet is een taalhandeling (speech act).
Nu kan er wel eens wat misgaan bij een handeling. Het water voor de doop kan plotseling op blijken te zijn, of de spreker is niet in de positie om te dopen. In dat geval is de handeling ineffectief. Voor het welslagen van een taalhandeling is tenminste een tweetal dingen nodig: er moet een procedure voorhanden zijn volgens welke de handeling uitgevoerd kan worden én de procedure moet zonder mislukkingen gevolgd worden.
Verderop in zijn lezingen is Austin afgestapt van het scherpe onderscheid tussen constatives en performatives, omdat de eerste welbeschouwd ook een daadkarakter dragen (door te zeggen: 'ik stel dat dit zo is', stel ik daadwerkelijk; ik doe een claim) en de tweede niet zonder feitelijke ondergrond kunnen bestaan. Bepaalde standen van zaken moeten waar zijn voordat een speech act geslaagd kan heten. In plaats van dit onderscheid ging Austin spreken over locutionary, illocutionary en perlocutionary acts. De locutionary act (locutionaire handeling of locutie) staat voor het uiten van woorden als klanken met een bepaalde betekenis. De illocutionary act (illocutionaire handeling of illocutie) staat voor de handeling die de spreker in het uiten van die woorden voltrekt. Hij belooft iets, hij doopt iemand, hij waarschuwt, of hij verklaart iemand de oorlog, etc. De perlocutionary act (de perlocutionaire handeling of perlocutie) staat voor het effect wat de uiting heeft op de hoorders. Dit effect heeft echter geen invloed op de geslaagdheid van de illocutionaire handeling. In geval persoon A persoon B een waarschuwing verleent, en persoon B weigert die waarschuwing ter harte te nemen, geldt de waarschuwing daadwerkelijk als uitgevoerd; het gewenste effect blijft alleen uit. Geen effect is echter ook een effect.
Deze drie handelingen zijn geen los van elkaar bestaande handelingen. Men kan ze beter beschouwen als handelingsdimensies. In een en dezelfde uiting vinden deze drie handelingen samen plaats.
Na Austin heeft J.R. Searle de theorie doorontwikkeld, in zijn boeken Speech Acts (1969) en Expression and Meaning (1979).
Uit bovenstaande verhandeling blijkt dat woorden als handelingen opgevat kunnen worden die effecten dragen.
Voor een meer uitgebreide weergave van de speech act theory, met daarbij ook informatie over John Searle, zie mijn hoofdstuk 1.
De speech act theory is een taalfilosofische theorie, die in het midden van de vorige eeuw opkwam dankzij J.L. Austin uit Oxford. Hij hield in 1955 lezingen, die in 1962 zijn gepubliceerd in How to Do Things with Words. Daarin maakte hij eerst een onderscheid tussen performatives en constatives, tussen die vormen van taal waarin de spreker een handeling voltrekt en die vormen waarin de spreker iets beweert, stelt of beschrijft. Een goed voorbeeld van een performative is het dopen van een persoon of schip, waarbij de woorden van de spreker (hierbij doop ik...) niet een toelichting zijn op wat hij doet (kijk eens, ik doop), maar de werkelijke voltrekking van de daad van het dopen zelf. Door te zeggen: 'ik doop jou/u/dit schip' doopt de spreker daadwerkelijk. De uiting die hij doet is een taalhandeling (speech act).
Nu kan er wel eens wat misgaan bij een handeling. Het water voor de doop kan plotseling op blijken te zijn, of de spreker is niet in de positie om te dopen. In dat geval is de handeling ineffectief. Voor het welslagen van een taalhandeling is tenminste een tweetal dingen nodig: er moet een procedure voorhanden zijn volgens welke de handeling uitgevoerd kan worden én de procedure moet zonder mislukkingen gevolgd worden.
Verderop in zijn lezingen is Austin afgestapt van het scherpe onderscheid tussen constatives en performatives, omdat de eerste welbeschouwd ook een daadkarakter dragen (door te zeggen: 'ik stel dat dit zo is', stel ik daadwerkelijk; ik doe een claim) en de tweede niet zonder feitelijke ondergrond kunnen bestaan. Bepaalde standen van zaken moeten waar zijn voordat een speech act geslaagd kan heten. In plaats van dit onderscheid ging Austin spreken over locutionary, illocutionary en perlocutionary acts. De locutionary act (locutionaire handeling of locutie) staat voor het uiten van woorden als klanken met een bepaalde betekenis. De illocutionary act (illocutionaire handeling of illocutie) staat voor de handeling die de spreker in het uiten van die woorden voltrekt. Hij belooft iets, hij doopt iemand, hij waarschuwt, of hij verklaart iemand de oorlog, etc. De perlocutionary act (de perlocutionaire handeling of perlocutie) staat voor het effect wat de uiting heeft op de hoorders. Dit effect heeft echter geen invloed op de geslaagdheid van de illocutionaire handeling. In geval persoon A persoon B een waarschuwing verleent, en persoon B weigert die waarschuwing ter harte te nemen, geldt de waarschuwing daadwerkelijk als uitgevoerd; het gewenste effect blijft alleen uit. Geen effect is echter ook een effect.
Deze drie handelingen zijn geen los van elkaar bestaande handelingen. Men kan ze beter beschouwen als handelingsdimensies. In een en dezelfde uiting vinden deze drie handelingen samen plaats.
Na Austin heeft J.R. Searle de theorie doorontwikkeld, in zijn boeken Speech Acts (1969) en Expression and Meaning (1979).
Uit bovenstaande verhandeling blijkt dat woorden als handelingen opgevat kunnen worden die effecten dragen.
Voor een meer uitgebreide weergave van de speech act theory, met daarbij ook informatie over John Searle, zie mijn hoofdstuk 1.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten