De taalhandeling van naamgeving is best interessant. De locutionaire handeling van het uiten van de de naam die de ouder uitvoert bij de burgerlijke stand (gaat dat tegenwoordig nog zo, of kun je je kind ook via internet uploaden en burgerlijk laten inloggen?) geldt als de illocutionaire handeling van het geven van de naam. Het effect is dat deze mens nu altijd met zijn of haar naam door het leven zal moeten. Tenzij... deze mens de naam wil laten wijzigen.
Een van de 'entailments' is dat het kind de naam zal accepteren, en zich met die naam ook zal representeren. Ook van anderen wordt gevraagd het kind met deze naam aan te spreken. Zo respecteert men de eigen persoonlijkheid van het kind. Door het een andere naam te geven, kan men de naamdrager kwetsen of complimenteren. Meestal wordt een daarvoor gevoelige naam verbasterd tot een naar woord; het effect is dan kwetsend.
In de Bijbel worden bij de vleet namen gegeven. Vaak dragen zij hier een symbolische waarde. Zij verwijzen vaak naar God. Soms dienen zij ter herinnering aan een belangrijke gebeurtenis, bijvoorbeeld Ikabod = de eer is weggenomen. De mens die onder deze naam opgroeit is het levende en wandelende gedenkteken aan dat historische feit. Denk ook aan de namen die Hosea aan zijn kinderen moest geven: Lo-Ammi (niet Mijn volk), Lo-Rochuma (geen ontferming). Er is echter uitzicht dat deze namen in het positieve tegendeel worden gewijzigd. Namen dragen dus ook een boodschap van God. De naamdrager draagt deze boodschap in de naam met zich mee. Elke keer als de naam wordt genoemd wordt deze boodschap geactualiseerd en uitgedragen, ook al is men zich daar niet altijd van bewust.
Sommige namen dragen een belofte in zich mee: Jozua en Jezus (Jahweh redt), of een claim: 'God is mijn Vader' (Abia). Als naamdrager heb je dan een flinke dobber: zie die naam maar eens waar te maken! Je hele leven is een groot entailment dat de vervulling van de belofte of claim inhoudt. Wanneer je faalt, faalt de taalhandeling van de naamgeving. Deze was in eerste instantie succesvol, maar een goede naam moet zich zichzelf doorzetten.
Verrassend en ook bemoedigend is het om te lezen in Openbaring 2,17: 'Wie oren heeft, moet horen wat de Geest tegen de gemeenten zegt. Wie overwint zal ik van het verborgen manna geven, en ook een wit steentje waarop een nieuwe naam staat die niemand kent, behalve degene die het ontvangt.' Deze nieuwe naam luidt een nieuw tijdperk in. Een ander geval van een nieuwe naamgeving is van Simon in Petrus (Rots) (Mt16,18). Dat was een bevestiging van zijn geloofsuitspraak (vers 16) en tegelijkertijd een opdracht om een Rots te zijn.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten